bloemrijke hooilanden

Alpenweiden zijn beroemd vanwege hun bloemenrijkdom. In Zwitserland doet het Engadin er nog een schepje bovenop. De naam betekent letterlijk 'tuin van de Inn'. Ramosch, het voormalige centrum van Unterengadin, ligt op een hoogte van 1200 m. Het was eeuwenlang de graankamer en daarmee de belangrijkste plaats van de streek. Een eeuw geleden was men hier nog bijna helemaal zelfvoorzienend, alleen producten als koffie en suiker werden geïmporteerd. Men verbouwde tarwe en haver en tot aan een hoogte van 1900 m ook rogge en gerst. Groente werd op kleine schaal verbouwd in de buurt van huizen en hutten. Maar de veeteelt bracht de laatste eeuw meer op dan graan en kostte minder arbeid. Zo zijn de vroegere graanakkers grotendeels verdwenen en vervangen door weiden, hooilanden en bos. De kleinschaligheid is gelukkig gebleven, en het gebruik van kunstmest schaars. Je vindt er nog steeds oude akkeronkruiden als wilde weit en roggelelie, naast gentianen, orchideeën, tientallen soorten vlinderbloemigen, geneeskrachtige planten als Arnica of veldsalie, en keukenkruiden als tijm en karwij. De biodiversiteit is uitzonderlijk. hoog. In de directe omgeving van Ramosch komen ruim 1000 verschillende plantensoorten voor. Dat zijn er bijna net zoveel als in heel Nederland bij elkaar. Als je de delen boven 1800 m ook meerekent, kom je wel tot 1500 soorten. Dat is zelfs voor Zwitserland uitzonderlijk rijk.

Mottata bij Ramosch
Mottata bij Ramosch

Vijfduizend jaar geleden woonden er al mensen in deze streek. Ze hielden vee en verbouwden graan. Hun weiden en akkers vormden ze door het plat branden van bos. In de Bronstijd kwamen de eerste vaste nederzettingen. Bij de Mottata (´hogere heuvel´) ten oosten van Ramosch zijn houtskoolresten gevonden, molenstenen en botten van vee. Het terrassenlandschap zoals je dat vandaag nog ziet zou al 2000 jaar oud zijn. Het boerenleven viel niet mee, vergeleken met dat van de jager-verzamelaar. De lichaamslengte daalde fors, en mensen werden veel vaker ziek. Ook hun kennis van wilde planten nam sterk af. Dat maakte ze kwetsbaar bij misoogsten.

 

Wolverlei (Arnica)
Valkruid (Arnica montana)

De liefde voor planten kwam vroeger vooral voort uit het nut: welke waren eetbaar, welke geneeskrachtig, welke goed voor het vee. Nog maar honderd jaar geleden kwamen de meeste geneesmiddelen direct uit de natuur. Sommige planten worden nog steeds gebruikt. Zo worden de bloemen van Arnica verwerkt in zalven tegen bloeduitstortingen. Hildegard von Bingen (12e eeuw) noemde de plant Wolfesgelegena, dat in de volksmond Wohlverleih werd, 'heilzaam werkend'. In Nederland zei men Wolverlei. Officieel heet de plant echter sinds 1988 Valkruid.