De Bloemenweek: een prachtige ervaring

Hoe gaat het in een bloemenweek?

 

De wandelingen worden ook in 2022 georganiseerd vanuit hotel La Randulina in Ramosch in de week van 20-25 juni. Deze week is volgeboekt. De meeste deelnemers komen aan in het voorafgaande weekend. Dan heb je wat meer tijd om te acclimatiseren. Van maandag tot en met vrijdag maken we gevarieerde dagtochten, afwisselend langs weiden en hooilanden, door beekdalen en bossen en naar de alpiene zone, boven de 2000 m. Soms lopen we vanuit het hotel, soms worden we met het hotelbusje op weg gebracht. De wandelingen zijn op zich niet moeilijk (niveau 1 à 2) en we volgen een rustig tempo. Zo heb je de tijd om te kijken en foto's te maken. Per dag lopen we gemiddeld 10-15 km; de hoogteverschillen zijn 400 tot 800 m. We kijken niet alleen naar bloemen maar ook naar vogels, vlinders en andere dieren, genieten van het uitzicht en de rust en verdiepen ons in de geschiedenis van de streek en het gebruik van planten door de eeuwen heen, van geneeskrachtig tot giftig of (vermeende) magische werking.

Hoe was het in 2021?

In de eerste week van juli, een paar weken later dan oorspronkelijk gepland, ontmoetten we elkaar in La Randulina, Ramosch. Het werd een aangenaam weerzien dan wel kennismaken met elkaar en de omgeving. De hooilanden rond het dorp waren al gemaaid, maar voor de hoger gelegen Magerwiesen gebeurt dat pas na 1 augustus. Bovendien was het in 30 jaar niet zo’n koud voorjaar geweest, wat de ontwikkeling had vertraagd. Diverse soorten stonden nu in volle bloei. Daar boften we dus mee. Alleen de venusschoentjes waren uitgebloeid.

 

 

Download
Waarnemingen 2021
2021 waarnemingen bloemenweek.pdf
Adobe Acrobat document 206.0 KB

 Op maandag bracht Maarten ons met het busje omhoog naar Vná en pakten we de eerste hoogtemeters richting Alp Discholas. Een eeuwenoud terrassen-landschap waarin de eerste bewoners zich al 5000 jaar geleden vestigden. De route voerde ons langs fraaie plantennamen zoals tragant, esparcette, hokjespeul en rapunzel, maar ook de Brave Hendrik, genoemd naar een goede koning waarmee het toch niet goed afliep. In het parkachtige lariks-sparrenbos graasden vriendelijke lichtbruine koeien tussen alpenroos en orchidee. Je kon goed zien van welke planten ze niet hielden: behalve de alpenroos (die wel rood is, maar geen echte roos) waren dat vooral wolfsmelk (giftig) en jeneverbes (prikt). Orchideeën lusten ze wel, maar daar waren er genoeg van. Boven op de alp stonden de marmotten op wacht tijdens onze lunch en genoten we van het uitzicht op de Engadiner Dolomieten aan de overkant van de Inn. De afdaling voerde langs de Magerwiesen, die zachtgeel kleurden van de ratelaars. Halfparasieten op gras, dat gaf ruimte aan heel veel niet-grassen. Een overweldigende bloemenrijkdom! Naar schatting stond zeker een derde van alle waarnemingen in de bloemenweek in deze weiden. Twee soorten ratelaar, heel veel muggenorchis, pluimkartelblad, pimpernel, een enkele aangebrande orchis, valkruid… Ook het moerasgebied Palü Lunga stond vol in bloei, met witte pluizenbollen van wollegras, donkerrode brede orchis en moeraskartelblad. Zelfs troffen we nog een laatbloeiend geluksklokje langs een stroompje.

Vaccinium microcarpum
Vaccinium microcarpum

Dinsdag werden we in Sclamischot afgezet voor een wandeling naar de Schwarzsee., net over de grens in  Oostenrijk. Een pad met een lang verleden van incidenten tussen het kleine Unterengadin en het machtige Habsburgse rijk, met voor de Engadiners dramatische dieptepunten in 1499 en 1621. Tegenwoordig gaat het slechts om verdraagzaamheid tussen wandelaars en mountainbikers. Alles bloeide uitbundig: bosorchis, welriekende nachtorchis, vliegenorchis, zelfs een bescheiden vogelnestje toonde zich. De vuurlelie knalde eruit. Iets voor de Schwarzsee lunchten we aan de rand van een moerasgebied. In het meer zelf, ooit ontstaan door afgraving van turf, groeide waterlelie, de hoogst bekende standplaats van deze soort (1726 m). Langs de oever, in een dikke pol veenmos, stond een heel klein veenbesje. Wat een snoepje. Iedereen ging om de beurt op de knieën.

Op woensdag was iedereen genoeg geacclimatiseerd voor een alpiene tocht: het Val Tavrü en de gelijknamige Mot (2420 m). In het dal, met alpenroosjes, bergbeekjes, bloeiende bloemetjes, liep behoorlijk veel vee en (dus) weinig wild. Op allerlei manieren werden we geïnformeerd over de bruine beer, maar een ontmoeting bleef uit. Voorbij de boerderij slingerde een bergpaadje omhoog naar de Mot. Hier werd het botanisch een stuk leuker. Drie soorten wolfsklauw, Krainer’s kruiskruid, witte muggenorchis, allerlei soorten steenbreek, edelweiss, kogelbloem, alpenvleugeltjesbloem, alpenzonneroosje, achtster... We zagen vanaf de top tientallen edelherten en gemzen in het Val Foraz. En hoe mooi was het dat er bij de afdaling nog een lammergier over kwam!

Mot Tavrü
Mot Tavrü

Op donderdag waren de weersvooruitzichten niet best. Zwaar bewolkt, vanaf de middag kans op regen en onweer. Het werd het Val Sinestra, onder het motto ‘meestal valt het mee’. Een paapje, een geelgors, bonte bermen naast strak gemaaide graslanden, een koffiebankje aan het begin van het pad door het dal, en daarna kwamen de orchideeën. Het waren er veel! Zelfs een rood bosvogeltje. Het afstapje van drie meter langs een staalketting was even een spannend intermezzo (‘waarom maken ze hier geen trapje?’), maar dat doorstond iedereen feilloos. Eenbloemig wintergroen lichtte op als een Jugendstil lampenkapje, rond wintergroen bloeide vol roomwit en de hangbruggen deden wat ze moesten doen, nl. blijven hangen. Prompt om twaalf uur echter begon het voorzichtig te regenen. We klommen het dal uit naar de weg en besloten democratisch dat we niet verder zouden lopen. De regen werd sterker, het onweer luider, maar tussen bliksem en donder lagen nog minstens zes seconden. Na enige instructies wat te doen als het echt menens zou worden, hielpen we een van ons in zijn regenbroek. Vrij snel klaarde het toen weer op en wandelden we in dampende nevelen terug naar Vná.

Vrijdag zag de lucht weer blauw, dus stonden we klaar voor de tocht in het Nationaal Park, van Buffalora op 1967 m via Munt la Schera (2383 m) naar Il Fuorn (1794 m). Ondanks de regen van de vorige dag was de oversteek over de rivier geen enkel probleem, en ook de rest van de wandeling verliep zonder obstakels. We klommen gestaag omhoog en verdiepten ons in het sociale leven van een marmot. Een beflijster vloog voorbij. De sneeuwhei was grotendeels uitgebloeid, de voorjaarsanemonen toonden alleen nog hun dikke vacht. Dit was nu het domein van blauwe voorjaarsgentianen, rose en witte rozenkransjes, gestreepte peperboompjes, steenbreek en edelweiss, donkergroene arven en over de grond kruipende bergdennen. En van de stilte. We bogen diep om het verschil te ruiken tussen de ene en de andere orchidee. Vanille? Chocola? Een troep gemzen graasde ondertussen ongestoord op een weitje, een jonge steenarend zweefde boven en even zelfs onder ons. Wat een oord. Bij de afdaling door het God la Drossa (=bos van groene els) was het opletten bij de vele boomwortels, maar ook daar ging alles naar wens. Om vier uur stond iedereen beneden. Nog even keken we naar een jonge steenarend op het nest en dan reed Maarten ons comfortabel terug naar Ramosch en de laatste heerlijke maaltijd van Liesbeth.