De Bloemenweek: een prachtige ervaring

Hoe ziet een bloemenweek eruit?

 

De wandelingen worden georganiseerd vanuit hotel La Randulina in Ramosch. In 2020 werd de bloemenweek in juni gecanceld. Maar er is een prachtige nazomerweek geweest, begin september. 

 

Hoe gaat het in zo'n week?

De meeste deelnemers komen aan in het voorafgaande weekend. Dan heb je wat meer tijd om te acclimatiseren. Zie voor reserveren de site van het hotel. We maken gevarieerde dagtochten, afwisselend langs weiden en hooilanden, door beekdalen en bossen en naar de alpiene zone, boven de 2000 m. Soms lopen we vanuit het hotel, soms worden we met het hotelbusje op weg gebracht. De wandelingen zijn op zich niet moeilijk (niveau 1 à 2), al is het toch wat anders dan lopen in Nederland. Per dag lopen we gemiddeld 10-15 km; de hoogteverschillen zijn 400 tot 800 m. We kijken niet alleen naar bloemen maar ook naar vogels, vlinders en andere dieren, genieten van weidse uitzichten, nemen de tijd om foto´s te maken en verdiepen ons in de geschiedenis van de streek en het gebruik van planten door de eeuwen heen, van geneeskrachtig tot giftig of (vermeende) magische werking.

Hoe was het in september 2020?

 

Je verwacht minder bloemen. Dat klopte. Maar wat was er veel te zien! Niet alleen waren er allerlei laatbloeiers zoals diverse gentianen, maar opvallend waren ook de schermbloemen in het zaad, van purperrood tot goudkleurig, de vruchtpluizen die als nette grijze bolletjes of als zwierige ragebollen naar ons wuifden, de zachtgeel verkleurende graslanden, de eerste paddenstoelen in het bos en de huiszwaluwen die met tientallen tegelijk zwierend afscheid namen van de zomer in het dal. 


De week begon met een lichte motregen. Het dal was grotendeels ingepakt in dikke nevelen. Maarten en Liesbeth brachten ons naar Tschlin, een karakteristiek Engadiner dorpje met sgrafito huizen, een bierbrouwerij en een middeleeuwse kerk met romaanse toren. Onderweg werden we even opgehouden door jagers die hun buit wilden tonen, een fors edelhert op de aanhanger. We zouden er nog veel meer zien, ook levende (herten). Het pad liep in een boog boven het dorp over mistige weitjes vol ogentroost, gentianen en centauries. De doorsteek door het diepe dal van de Ruinans was even doorbijten, maar daarna kwam de lunch op een open plek met spelende marmotten.  De eerste wolfsklauwen werden gesignaleerd op een dikke boomstronk in het bos. Door het oude terrassenlandschap, ingekleurd met herfsttijlozen, wandelden we terug naar het hotel, peinzend over vroegere bewoners en het ooit zo machtige kasteel Tschanüff.

Een dag later liepen we onder een strakblauwe lucht in Guarda, nog zo’n gaaf dorp met beschilderde huizen. Bovendien is er niks mis met rode geraniums. Over een toch wel lange klim van 500 meters door een steeds opener bos klauterden we omhoog langs bosbes, rijsbes, vossenbes, berendruif en jeneverbes. Bij de lunch op Murtera Dadoura werden we getrakteerd op marmotten die als haardkleedjes over de keien lagen, actief fluitende soortgenoten (alarm!) en een steenarend. Langs veldjes met grote pimpernel, blauwe knoop, geurende hertsmunt en heel veel vlinders, die desnoods ruggelings in de berm werden gefotografeerd, daalden we af naar het idyllische Ardez.

Vanuit S-Charl liepen we de volgende dag het Sesvennadal in. Na de eerste bergden en arve kregen we bij de koffie niet alleen een stroopwafel, maar ook (alweer!) een steenarend, en een waterspreeuw. Er liepen nog Mutterkühe op de alp, maar de kalfjes waren al bijna zelfstandig, dus was het geen probleem om ze te passeren. Dit was het gebied van de Engadiner Dolomieten; grillige rotsen en kalkplantjes. Aan het eind van het dal lag een meertje op zo’n 2700 m. Je kon erin zwemmen. Maar je kon ook met lagere ontdekkingen tevreden zijn. Scheuchzer’s wollegras, sneeuwgentianen, spelende hermelijnen, rood verkleurende bosbessen, dat soort dingen. Sesvenna heeft iedereen wat te bieden.


Een dag later trokken we het nationaal park in bij Val Mingèr. Een bos van magere bergdennen op een puinhelling, donkere arven tot boven de boomgrens, uitgeholde boomstammen die fungeerden als een smidse van arvenkegels, overal notenkrakers, een laatste gentiaan, een allerlaatst bloeiend en geurend peperboompje. Terwijl we bewonderend stonden te kijken naar een paar vierkante meter wolfsklauw vloog er geruisloos een kleine vogel met ronde kop langs. Een dwerguil?

Bij Alp Mingèr is eigenlijk altijd wel wild te zien en ook deze keer werden we niet teleurgesteld. Edelherten op de helling voor ons, gemzen aan de achterkant, marmotten ertussen. Dankzij de telescoop kregen we ze nog beter te zien. Zelfs waren de herten te horen, al was het burlen nog bescheiden. Sommigen van ons liepen nog even door tot de pas, Sur il Foss. Daar hoorde je alleen nog de stilte.

Op vrijdag leek het herfst te worden. Flarden van mist stegen op uit het Val Sinestra zodat het dal leek nog geheimzinniger leek dan normaal. Langs het pad naar Zuort stonden nog heel wat grote keverorchissen, en de gele kamille spatte van de keien. Bij Hof Zuort genoten we uitgebreid van een terras met koffie, al dan niet met (gedeelde) appeltaart. Binnen was te zien welke mannen de laatste beer in het Val d’Uina hadden omgelegd (in 1897). Toen we buiten kwamen, scheen de zon weer. We daalden in het beekdal af tot aan de Brancla over smalle, deels steile paadjes en  hangbruggen (met bruggenboek). Alle vier soorten kamperfoelie (met bessen) werden genoteerd, evenals diepblauwe zijdeplantgentianen, uitgebloeide vogelnestjes, christoffelkruid met gifzwart glanzende bessen, die van eenbes en salomonszegel donkerblauw, lelietjes-van-dalen en lijsterbessen in het oranje. Nog een laatste blik op het dorp Ramosch, een laatste heerlijke maaltijd, en zo kon het nagenieten beginnen.